Ik besta dankzij jou, jij bestaat dankzij mij.

Elke mens heeft andere mensen nodig om mens te zijn en worden. Wij horen bij elkaar.

Zelfs de kluizenaar kan kluizenaar zijn dankzij één wezensoorzaak: hij overleeft door hetgeen hij geleerd heeft van anderen. Dit geldt eveneens voor baby’s die als vondeling in het oerwoud liggen. Volgen zij Tarzan of Mogli op óf gaan zij dood? Het laatste dus.

Het handelingsrepertoire van iedere mens ontstaat in het contact met anderen. Sommigen noemen dat cultuuroverdracht, opvoeding of socialisatie, anderen ontwikkeling.

 

De basis van het (over)leven is samenwerken. Dat startte reeds op de savanne. Niet alleen het bestrijden van roofdieren als sabeltandtijger en slang, doch ook het vinden van eetbare bessen en water eisten continue aandacht van de mens op. Door onderlinge samenwerking vergroot de mens de overlevingskansen van de groep, van de ander en van zichzelf. (On)bekende vraagstukken, zoals het aan de praat houden van het vuur, worden voorzien van (nieuwe) oplossingen.

Samenwerken betekent de ander ontmoeten, hem toestaan jouw wereld te betreden en zelf tactisch de zijne binnengaan. Dit fundament is gebaseerd op 2 behoeften; altruïsme en welbegrepen eigenbelang. Het altruïsme is gefundeerd in het overleven van de groep; de ander staat centraal want daardoor overleeft de groep. Je zet je in –zelfs door je op te offeren-, in het belang van het voortbestaan van de groep. Bij welbegrepen eigenbelang domineert ‘het doorgeven van de eigen genen’. Beide behoeften versterken elkaar. Het doorgeven van jouw genen draagt bij aan het voortbestaan van de groep. En de continuïteit van de groep faciliteert jouw overlevingskansen. Het lemniscaat karakteriseert deze relatie tussen mens en groep.

 

Door de samenwerking groeit er familiariteit. In elkaars nabijheid ruik je letterlijk de ander. Het vertrouwenshormoon Oxytocine overspoelt de hersenen. Een ware bevorderaar om de gezamenlijke verrichtingen en activiteiten positief te beleven. Levert de samenwerking succes op, dan ontstaat er het winnaarseffect; een bewijs dat de ander en het ontstane gedrag relevant zijn. Oxytocine en het winnaarseffect stimuleren de samenwerking en daarmee het ontstaan van gedragspatronen; repeterende handelingen, die een groot gemak voor de mens vormen. Zonder extra energie en veelal op de automatische piloot voert de mens dit gedrag uit.

Deze patronen zorgen voor herkenning en voorspelbaarheid. Er ontstaan (ongeschreven) codes en conventies, die de patronen stutten en mentaal ommuren. Voor de mensen binnen die muren zijn de patronen normaal. Zo doen we dat hier. Een normatief kader. Interne besmetting zorgt dat elk lid binnen de omheining hetzelfde gaat voelen, denken en handelen. Erbij willen horen bevordert de imitatie van anderen hetgeen leidt tot nog meer verbondenheid. Samenwerken tussen ik en jij leidt gaandeweg tot wij. Mensen conformeren zich aan het ‘wij’. In hun gedrag bevestigen zij de dominante cultuur. Denk aan de klassieke opening in Nederland bij bezoek, “Koffie?”. Omgekeerd legt het ‘wij’ op zijn beurt ‘eisen’ aan de mensen op hoe zich te gedragen. Bij binnenkomst krijg je zelden de vraag “Banaan?” gesteld. De mens raakt verstrengeld in een systeem van afhankelijkheden (ik – jij) en cultuur (wij). Dit systeem vormt voor elke mens de beschutte veilige haven; gedragspatronen, omringd met scherpe culturele grenzen. Elke mens betaalt hiervoor ook een prijs; buiten de lijntjes kleuren wordt niet gewaardeerd, en vaak gesanctioneerd. Proeven aan de voordelen van de groep, betekent gelijk ook datgene eten wat de groep jou voorschotelt.

 

Binnen de muren (= mentale grenzen) bestaat interne verdraagzaamheid. Je leert de groepspatronen om te (over)leven. Je duldt de ander in jouw nabijheid. Je gunt elkaar het beste, waardoor je samen aan de slag gaat. In deze samenwerking worden hij en jij mens. De groep (= wij) vaart er wel bij. De vraagstukken worden in gezamenlijkheid opgelost. Denk bijvoorbeeld aan de vele systemen in onze wereld, van onderwijs en zorg tot infrastructuur en belasting. Interne verdraagzaamheid naar elkaar leidt tot groepsoplossingen die elk individu bevoordelen. Het voorgaande oogt utilitaristisch in de verklaring, maar is juist emotioneel en spiritueel in de verbinding tussen deze mensen. Emotioneel vanwege geborgenheid en bescherming door anderen; de mens is in zijn wezen een sociaal dier. Spiritueel vanwege de ervaren gemeenschappelijkheid; de beleefde en ervaren gezamenlijkheid bevestigen waar je toebehoort, waarmee je ten diepste verbonden bent.

 

Daarom noemen we het gebied binnen deze mentale omheining thuis. Mijn basis. Onze grond. Hier ben ik op mijn plek; er heerst geborgenheid. Ik word gekoesterd en voel liefde voor deze ruimte en de aanwezige mensen. De grenzen, om deze thuis, bevorderen mijn voortbestaan. Een noodzaak om te (over)leven. Zij markeren ons gebied. Ons gebied is mijn gebied en vice versa. Iets dat het waard is om te behouden, ja, zelfs om voor te strijden. Niet voor niets groeit het enthousiasme voor het leger in tijden van dreiging.

 

Interne verdraagzaamheid bespoedigt een dubbele groei; van elke mens en van de eigen gemeenschap zelf. Verdraagzaamheid is daarmee in essentie een absolute voorwaarde voor ontwikkeling; van ik, van jij en daarmee ook van wij. Aan de basis daarvan ligt nieuwsgierigheid naar het andere, en wezenlijker, de ander toelaten in jouw thuis, in jouw ruimte. Erop uittrekken en jouw eigen deur openzetten voor de ander; het is gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Nieuwe paden betreden, betekent gelijk ook vertrouwde grond verlaten. Dit voelt ongemakkelijk, doet soms pijn. Een emotie die de mens graag vermijdt. Ondanks de populariteit van ontdekkingsreizigers, zijn de meeste mensen dagelijkse bewandelaars van de bestaande paden. De mens is niet voor niets een gewoontedier.

De deur openen voor de vreemde. Liever bewaren we alles van waarde veilig achter slot en grendel. Denk aan de vele horrorverhalen over onbekende bezoekers. De boodschap is duidelijk, ‘hoed je voor het vreemde’. Tenslotte maakt onbekend onbemind.

De voortekenen om de ander te ontmoeten zijn er zeker, toch versperren de bezwaren veelal de beweging naar de ander toe.

 

Aanschouwen we over de muren het ‘buitengebied’, dan ontstaat er spanning; het onbekende trekt aan en stoot af. Wie zien overeenkomsten, doch ruiken ook verschillen. Dat voelt ongemakkelijk. Al snel categoriseren we het andere. Dit doen we vanuit onze eigen vertrouwdheid. Deze categorisering vormt de basis voor stereotypering. Het oordeel is snel geveld. Een overlevingsmechanisme uit onze savannetijd. Daar vroeg je ook niet aan een roofdier of hij vegetariër was. De keerzijde van stereotypering is wantrouwen tegen het onbekende, het andere. Hetgeen niet alleen de ander in een kwaad daglicht stelt, doch ook de eigen thuisbasis verheft. Denk aan de continue zoektocht in de publieke opinie naar zondebokken.

 

Stoppen met verdraagzaamheid leidt tot stagnatie. Met protectionisme en ons terugtrekken achter onze dijken schieten we uiteindelijk onszelf in de voet. Te sterke koestering van het eigene belemmert voort- en vooruitgang. We trekken ons terug binnen de veilige muren van het vertrouwde en bekende. En herhalen wat we gisteren ook deden. Meer van hetzelfde. Terwijl de hedendaagse vraagstukken, dankzij technologie –bijvoorbeeld privacy-, klimaatverandering –bijvoorbeeld de gevolgen van El Nino- en demografie –bijvoorbeeld de trek naar de stad en het ontvolken van het platteland-, van een geheel andere orde dan enige decennia terug zijn. Hetgeen ook meteen betekent dat we met onze ‘oude’ repertoire deze nieuwe vragen niet afdoende kunnen beantwoorden. Dankzij onze ingesleten gedragspatronen, codes en conventies, wentelen we ons zelfgenoegzaam in onze bestaande oplossingen. En vragen ons verbaasd af waarom het niet goed gaat.

Door de grootse veranderingen verhevigt ook binnen de omheining het verschil. Jij en ik lopen niet langer in elkaars mars. Het wij erodeert. De gemeenschappelijkheid verdwijnt achter de horizon. Sommigen kopiëren reeds opvattingen en gedrag uit het buitengebied. Zij categoriseren het onbekende positief. Terwijl de anderen daar nog niks van willen weten. Het verschil toont zich in de wederzijdse stereotypering binnen de omheining. Denk aan termen als graaiers en tokkies.

 

Voor innovatie dien je echter die andere of te ontmoeten of welkom te heten in jouw wereld. Door de integratie van zijn handelingen en opvattingen met de jouwe komen nieuwe handelingsmogelijkheden tot bloei. Dit noemen we dan vooruitgang.

Hieronder ligt de vraag ‘wat vinden wij van waarde?’. Het andere ontdekken en ontmoeten, stelt gelijk het eigen thuis, het normatieve kader, de codes en conventies ter discussie. Denk aan de emoties rond de lopende Zwarte Pieten discussie. Waardoor inhoudelijke vragen oprijzen als “wat willen we behouden, wat willen we toevoegen en wat willen we niet kopiëren?”. Maar wellicht nog wezenlijker, wie wordt er bedoeld met ‘we’? Is dat de bestaande groep binnen het eigen territorium, een select gedeelte daarvan – de elite- of rekenen we ook de gast of buitenstander al tot ‘we’?

Relevante vragen om de voort(uit)gang te begunstigen. Wat is ervoor nodig om deze vragen te beantwoorden?

 

Je kunt pas echt ontvankelijk zijn voor het andere, van buiten de muren, wanneer je zelf gehecht voelt en geaard bent in je eigen thuis, wanneer je je veilig voelt, herkend wordt, mee mag doen en erbij hoort. Empathie en nieuwsgierigheid ontwikkelen voor het andere is vooral mogelijk wanneer jezelf empathie ervaart voor jouw eigen situatie.

Is dit niet te soft als verklaring? Gezien onze savannementaliteit is deze verklaring keihard in zijn consequenties. Insluiting bevoordeelt het overleven, uitsluiting daarentegen stond op de savanne gelijk aan  de doodstraf. Door de grootsheid van alle veranderingen, kunnen sommigen aansluiten en meedoen, terwijl anderen achterstand ervaren en hun mogelijkheden ingeperkt zien worden. Hun toegang tot gewenste en beloofde mogelijkheden worden ingeperkt. Dat betekent kortweg, binnen jouw eigen huis is het niet meer veilig en vertrouwd. Jouw thuis wankelt. Emoties als jaloezie en afgunst komen op. Barrières voor de interne verdraagzaamheid en daarmee voor de samenwerking.

Het gevolg is dat vele mensen wegtrekken van de grenzen en zich begeven richting de kern van hun thuis. Waar nog het ‘eigene’ vitaal aanwezig is. Men vlucht weg van de dreiging.

Hierdoor ontneemt de mens zichzelf de mogelijkheid om de ander te ontmoeten –de grens gaat dicht en de reis wordt gecancelled- en te zorgen dat hij en jij samen mens worden. Dat men gezamenlijk groeit.

Hierdoor stopt de ontwikkeling, en wordt zowel jouw eigen bestaan als dat van de andere en dat van de mensheid bedreigt.

 

Waar zit de oplossing? Zorg dat mensen bij de grenzen van hun thuis blijven en niet ‘vluchten’ naar het centrum. Zorg dat zij zich geaard voelen in hun thuis, begrip ontvangen voor hun eigen situatie en mogelijkheden, empathie voelen voor hun manier van zijn, dan durven zij wel bij de grenzen te blijven. En misschien de begaande paden te verlaten of zelfs de deur op een kier te zetten.

Want bij de grenzen van jouw thuis, dat zijn de grenzen van verdraagzaamheid, daar vormt zich de overgang van de grenzen van interne naar externe verdraagzaamheid. Daar vindt hedendaagse vooruitgang plaats. Want daar ontmoeten ik en jij en ontstaan er nieuwe vormen van wij.

 

 

 

Advertenties